Het ontstaan, de wortels van Hakkoryu.

Hakkoryu Jujutsu werd formeel gecrëerd op 1 juni 1941 door Ryuho Okuyama (1901 - 1987) in Japan,
meer bepaald in de Shiba Tenso Jinja, een heilige Shintoplaats in de Shibawijk in Tokyo. Niettegenstaande haar tamelijk recent ontstaan, gaan de wortels van Hakkoryu Jujutsu terug tot de 8ste eeuw,met referenties naar gevechtstechnieken die zelfs verder in tijd gaan.

founder

 De stichter van de Hakkoryu, Ryuho Okuyama (1901-1987) en zijn zoon Nidai Soke Ryuho (Toshio) Okuyama
stammen af van een zeer lange lijn van prominente bushi's (krijgers), nl. de Genji-clan.
son
Het beoefenen van jujutsu kan nagetrokken worden tot meer dan 2500 jaren terug.  Jujutsu ontwikkelde zich uit verschillende individuele scholen die, ofwel hun oorsprong hadden in Japan, ofwel hun weg vonden naar Japan via een ander Aziatisch land.  De eerste vermelding van een martiale kunst (wu-su) dateert uit 2674 (v. C.) en situeerde zich in Huang-Di (China), het lichaam werd hier gebruikt voor zelfverdedigingdoeleinden

De eerste gedateerde vermelding van jujutsu was gedurende de periode van 772-481 v.C, gedurende deze periode (de Choon Chu eeuw van China) werden open-hand technieken gebruikt.  In 525 v.C. reisde Boddhidharma, een Zen-Boedistisch monnik, van India naar China en bezocht het Shaolin klooster.  Hij combineerde de Chinese kempo (kenpo in Japans) met de yoga ademhaling en aldus ontstond Shaolin chuan fa.  De legende wil dat Boddhidharma dit systeem nog verder ontwikkelde.  In 230 v.C. ontwikkelde er zich een worstelsport (chikura kurabe) in Japan waarvan sommige technieken als basis dienden voor de jujutsu.

Er bestaan bewijzen dat er lege-hand-technieken gebruikt werden gedurende de Heian periode (794-1185) in Japan, als onderdeel van de wapentraining voor de samoerai.  In 880 stichtte Prins Teijun de Daito-ryu Aiki Ju-Jutsu school.  Deze school was gebaseerd op de geheime technieken van de shukendo (shu = zoeken, ken = kracht, do = weg).  Deze technieken waren de mogelijke oorsprong van kendo en kenden cirkelvormige handbewegingen om zich te verdedigen met wapens.

De technieken werden geërfd door Teijuns zoon, Tsumemoto, die de naam van Minamoto werd toegewezen.  Zijn afstammelingen zijn gekend als de Seiwa Genji met hun Aiki-jujutsu technieken die als grootste familiekunst geheim werden gehouden.  Met hun, de Minamoto-clan, verschenen de krachtigste krijgers van heel Japan in niet minder dan vier generaties.  Het is bij die clan, de originele Genji-clan, dat de familie Okuyama behoorde

De Seiwa Genji-clan had de beroemde generaal Yoshimitsu Shinre Saburo Minamoto in zijn rangen.  Hij beheerste vele kunsten, hij was een krijger, poëet, psycholoog en historicus.  Door zijn toedoen bereikten de Atemi Arts (slagen op vitale punten) en de Kanzetsu Arts (breekkunst) een ongekende hoogte.  Hij deed dit door het ontleden van de lichamen van gevangenen en oorlogsslachtoffers.  Hij woonde in het Daïto-huis, iets wat velen doet geloven dat daardoor de Minamoto-stijl later de Daito-ryu werd.  Generaal Yoshimitsu gaf zijn technieken door aan zijn zoon Yoshikiju die in Takeda woonde in de provincie Kai.

Gedurende de Tokugawa periode (rond 1650) floreerde de jujutsu als onderdeel van de samoerai opleiding.

Gedurende het  Tokugawa Shogunaat van de Edo-periode (1603-1868), gedurende dewelke het zwaardvechten streng gereglementeerd was, kwam de aiki-jujutsu tot volle bloei.  Ook in de Hakkoryu kunnen sommige technieken teruggebracht worden tot technieken afkomstig van oudere ken-jutsu scholen.  Het is ook om deze reden dat de traditionele jujutsu scholen de benaming 'tegatana' (zwaardhand) behouden i.p.v. 'shuto'.  De snijkant van de hand wordt verondersteld net zo dodelijk te zijn als de snijkant van een katana.

De schoonheid van een op aiki-jujutsu gebaseerde kunst ligt hem niet enkel in de waza of in de potentiële destructiviteit van een techniek, maar ook in de elegantie van de uitvoering, de lichaamsstand, het moeiteloos onder controle houden van de tegenstander zonder brute kracht...

Om dit te bereiken moet men komen tot een toestand van 'niet-denken', geen geplande reactie, enkel handelen indien nodig zonder twijfelen, relax.  Op hoger niveau leert men aldus iemands intenties aanvoelen en uiteindelijk leidt dit tot de toestand van 'yo wa i ki': éénzijn in vrede en harmonie. 

Rond deze periode (het einde van de 16de eeuw) vormde de Takeda-han  het Tokugawa Shogunaat, deze regeerde gedurende het Meiji-Herstel (19de eeuw).  Toen de positie van de Kai Takeda onstabiel werd, verhuisde de ganse familie naar het noorden om dienst te doen in de Aizu Han.  Daar hadden zij de positie van Shinamban (zwaardmeesters) en droegen hun geheimen voor het eerst over op hun oudste leerlingen.  De laatste van de Aizu Shinamban, Takeda Takumi no Kami Minamoto Soemo (1758-1853), had twee zeer voorname studenten: de ene was Takeda Soyoshi, zijn kleinzoon, en de andere Saigo Tanamo, de minister van de Aizu-Han en het hoofd van het Shirakawa kasteel.

In 1868, toen de keizer de macht terug bekwam na het Meiji-herstel werd Soyoshi terechtgesteld als leider van het verzet.  Saigo werd Shinto-priester aan het heiligdom van Nikko Toshugu en veranderde zijn naam in Hoshino Genskin.  Zijn oudste student was Takeda Sokichi, Soyoshi's oudste zoon.  Toen Sokishi in 1875 stierf, riep Saigo zijn jongere broer naar het heiligdom om samen de Minamoto-traditie voort te zetten. 

Takeda Sokaku Minamoto Masayoshi (1858-1943) was de laatste grote zwaardvechter.  Hij was een man die leefde, ademde, at , sliep en droomde van de Martial Arts.  Zijn fanatieke toewijding is te verklaren door zijn gestalte.  Hij was namelijk nog geen 1.50 m groot en zeer mager.Als samurai geboren begon Sokaku zijn studie aan de Daïto-ryu Aiki-jujutsu en de Ono-ka Itto-ryu Kenjutsu op zeer jeugdige leeftijd van slechts 5 jaar. Op 20-jarige leeftijd had hij de hoogste licenties in de 4 meest gerespecteerde zwaard- en speerscholen van Japan.  Tijdens de 20 jaren die daarop volgden, reisde hij door heel Japan om zijn kennis te gebruiken.  Zelden werd hij verslagen doch hij voelde zich nog niet klaar voor het tempelleven zodat Saigo zich verplicht voelde iemand anders in dienst te nemen: Shida Shiro (1868-1920)

Shida Shiro ontmoette in 1881 in Tokio Jigaro Kano, deze was een nieuwe organisatie, de Kodokan Judo, aan het oprichten.  Shiro sloot zich aan en werd zeer snel de oudste afgezant.  Hij werd directeur van de Kodokan in 1888, doch weldra ontstond er een conflict tussen de Judo stijl en de Daïto-ryu.  In 1891 verliet hij de twee systemen. 

Saigo hoopte dat ondertussen Takeda Sokaku klaar zou zijn, doch het duurde nog tot 1898 vooraleer deze het leiderschap van de Daïto-ryu wou aanvaarden. Sokaku's jaren van intensief trainen maakten van hem een levend voorbeeld.  Hij reisde gans Japan rond om te onderrichten, doch hij bleef nooit ergens lang genoeg om een eigen dojo op te richten.  Onder Sokaku's meesterleraars bevond zich  Husaku Matsuda.  Hij was het die de meer uitgebreide onderrichtingen gaf aan de meer begaafde studenten.  Eén van deze leerlingen was meer dan begaafd en zou later rechtstreeks onderricht krijgen van Takeda zelf.  Deze student noemde Okuyama Yoshiharu (Yoshiiji), beter gekend als Ryuho Okuyama, de stichter van de Hakkoryu jujutsu. Het was deze Matsuda die vond dat mr. Okuyama een zeer goed student was en het was hij die Okuyama speciale uitgebreide lessen gaf in de technieken van de ryu.

Gedurende zijn vele reizen had Mr. Okuyama de kans om bij vele leraars in de leer te gaan om alzo een grondige kennis op te doen.  Buiten de Daïto-ryu studeerde Mr. Okuyama ook nog vele andere Martial Arts.  Zo bestudeerde hij onder meer: Iai-jutsu in Saporo, shuriken-jutsu, jo-jutsu in Nigata, kusarigama in Ise, Ken-jutsu, So-jutsu en Kyu-jutsu. In 1936 behaalde Mr. Okuyama het instructeursdiploma in de Daïto-ryu en werd hij voorgesteld aan Shihan Somi Takeda zelf die hem de "okuden" onderwees.  Snel werd Okuyama de assistent van Takeda en hielp hij hem dagelijks met het runnen van de Aiki vereniging.  Takeda, meer dan 80 jaar oud, doch nog zeer robuust voor zijn leeftijd, rekende meer en meer op de hulp van Mr. Okuyama. Na zijn studie te hebben voltooid bij Takeda in 1938 publiceerde Okuyama zijn eerste artikel: "Daïto-ryu Goshin-jutsu" (het daïto-ryu selfdefence systeem).  Kort daarna werd Mr. Okuyama de assistent van generaal Iwane Matsui en de scheepsattaché Kumpei Matsumotso in de Dai Nippon Shidokai (vereniging van de grote Japanse samurai's), en werd zo de instructeur van wat hij noemde "Daïto-ryu Hiden shido" (de geheime daïto-ryu weg van de samurai).  Zijn eerste dojo was in Asahikawa en hij noemde hem Nippon Shidokai Rtubukan.

In 1938 verhuisde hij naar het district Kanda in Tokio en stichtte er de Dai-Nihon Shidokai.  Hier kwam de eerste splitsing in de Daïto-ryu gedachte: men begon zich vragen te stellen over het leiderschap in de Daïto-ryu van de reeds zeer oude Takeda.  Uiteindelijk zou het leiderschap overgaan op zijn zoon Takimune Takeda, doch mr Okuyama, die op die administratieve promotie had gehoopt, werd hierdoor zeer onrustig.  Na zovele jaren van studie en reizen bezat hij echter een zo onuitputtelijke kennis van de beide Martial Arts en de Oosterse en Westerse geneeskunde dat hij besloot zijn kennis niet meer alleen voor eigen financiële vooruitgang te gebruiken maar ze eveneens over te dragen als service voor iedereen die hij kon helpen.  Vanaf dat ogenblik begon Okuyama aan zijn eigen systeem.

Uiteindelijk, op 1 juni 1941, hield Mr. Okuyama de Hakkoryu Kaiso Hokokusai (bekendmakingsceremonie) voor de Kami (shinto priesters)  in de Shiba Tenso Jinja tempel in Tokio.  Zo werd de Hakkoryu geboren.

Vanaf toen noemde men Mr. Okuyama: "Ryuho" (= de ruggengraat van de draak).  Zijn systeem werd vanaf dat ogenblik "Hakkoryu ju-jutsu" genoemd.

home
HOME
HOME

 




 

 

MUSUBI DOJO
Hakkoryu

 

 

 

 

 




 

hakko